De Duvensteine – een werkelijk mystieke plek midden in het Teutoburger Woud.
De vroegere naam van de Duvensteine was „St. Johannes Rast“. Waarom?
Hier loopt sinds mensenheugenis de grens tussen Hagen en Lienen en tegenwoordig tegelijkertijd de grens tussen Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. Aangezien er in de middeleeuwen geen kadastrale kaarten bestonden, werden grensverloop vaak bepaald aan de hand van opvallende kenmerken, zoals bijvoorbeeld rotsformaties. De zo vastgelegde grensverloop werd om de paar jaar gecontroleerd door middel van gezamenlijke grensinspecties, de zogenaamde „Schnatgänge“.
Tot aan de tijd van de Reformatie vonden deze „Schnatgänge“ plaats als heuse grensprocessies, waarbij de betreffende gemeenten hun patroonheiligen meedroegen. In dit geval kwamen de drie aan elkaar grenzende parochies uit Hagen, Lienen en Glane bijeen, waarbij Lienen zijn heilige Johannes de Doper meedroeg en vanwege de lange weg naar de ontmoetingsplaats op de Urberg altijd een rustpauze inlaste bij de Duvensteine.
Pas later, aan het einde van de 19e eeuw, raakte de naam „Duvenstein“ ingeburgerd. Een poging om de naam te duiden ging terug op de oude Germaanse heiligenverering. Men veronderstelde dat het woord „Duve“ afkomstig was van „Du-ve“ (ve = Fee = moeder), de duisternis-moeder. Deze moedergodheid werd waarschijnlijk aanbeden in de hoop op kinderzegen en vruchtbaarheid. Helaas bleek deze interpretatie onjuist te zijn.
In werkelijkheid is de naam hoogstwaarschijnlijk afgeleid van het Platduitse woord „Duhf“ – de hoop, om precies te zijn de hooihopen. De aanblik van de steenhopen deed de boeren van toen simpelweg denken aan hun velden tijdens de oogsttijd. Een reisverslag uit 1930 van F. Rohlmann beschrijft de Duvensteine als volgt: „Ze liggen daar als hooimajen. Wie ze in de winter in de rijp zag liggen en in de bloeiende heide, vergeet ze niet. Omdat ze zo eenzaam zijn, spreken ze misschien ook alleen tot degene die eenzaam is.” Tegenwoordig is het zeker een plek die tijd en ruimte biedt voor rust en bezinning.