Barthold Kuijken behoort tot de toonaangevende figuren in de oude muziek. Bijna niemand heeft de herontdekking van de traversfluit zo blijvend beïnvloed als deze Belgische fluitist. Samen met Jean Christophe Dijoux wijdt hij zich aan meesterwerken van Händel, Leclair, Locatelli en Johann Sebastian Bach, waarvan de elegantie en klankrijkdom tot op de dag van vandaag een directe indruk maken.
Centraal staan echter Johann Sebastian Bachs solopartita BWV 1013 en de Sonate in b-mineur BWV 1030. Vooral in deze sonate ontmoeten de traversfluit en het klavecimbel elkaar op gelijke voet en ontvouwen ze een muzikale dialoog van buitengewone finesse en diepgang.
Het spel van Barthold Kuijken blijft tot op de dag van vandaag fascineren door zijn natuurlijkheid, zijn schijnbaar moeiteloze virtuositeit en een onmiskenbare klank die de luisteraar onmiddellijk in zijn ban houdt. Bij kaarslicht in de oude St. Alexanderkerk in Wallenhorst ontvouwt deze muziek haar volledige zintuiglijke kracht en die betoverende schoonheid, die al eeuwenlang niets van haar impact heeft verloren.